Vroeger
Posted on Nov 18 in Tekst, Verhalenby jveerdenPrint
Iedere ochtend fietste ik over de dijk naar school. Het was een kleine 7 kilometer maar voor een meisje van 10 een wereldtocht. Altijd wind tegen en het stormde er vaak. Links lagen de plassen zover ik kon kijken. Rechts de weilanden waar de wind de vrije hand had. Het suisde om mijn oren en mijn haar wapperde voor mijn ogen. Mijn moeder wilde niet zo vroeg opstaan, dus fietste ik alleen. Alleen door het niemandsland waar ik langzaam aan van begon te houden. Het fietsen was mijn moment. Mijn wereld waarin ik thuis kon vergeten, mijn wereld die ik kon bedenken zoals ik het wilde, mijn leven, leeg, fijn. Ik genoot.
Soms was ik een prinses op weg naar mijn kasteel, dan was ik een kok die snel naar haar restaurant moest komen omdat het toch wel erg druk was. De koeien kregen namen en ik deed er steeds langer over. Ik genoot.
In de winter was het glad, sommige stukken moest ik lopen. Af en toe kwam er een auto langs, ik zag ze niet, ik zag alleen mijn gedachten. Bezorgd moeten ze hebben gekeken. Voorzichtig moeten ze langs me zijn gereden. Die er vaker reden wenden eraan, maar de anderen vroegen zich altijd af of het wel verantwoord was. Of ze niet te hulp moesten schieten. Of ze me een lift moesten geven. Maar ik zag ze niet. Ik keek gelukzalig voor me uit. Ik genoot.
De winter van 1994 kwam. Het weeralarm was uitgegeven. Mijn moeder lag in bed. Ik vroeg of ze me wilde brengen. Ze draaide zich om. “Ik ga me niet omkleden dan hoor en je broertje moet eerst naar school, dus dan kom je wel te laat. En ik schrijf geen briefje voor je omdat jij niet wilde fietsen.” Ik liep naar beneden, pakte mijn boterhammetjes met komijnekaas en stopte alles in mijn rugzak. De voordeur blies open met een harde knal, mijn moeder zuchtte “Joyce kijk toch uit” en ik pakte mijn fiets. Het stukje door het dorp ging wel, maar zodra de open vlakte begon lag ik languit op het wegdek. Ik veegde een traan weg, beet mijn tanden op elkaar toen ik de scheur in mijn broek zag en liep verder met de fiets aan de hand. Ik zou te laat komen. Ik wilde niet te laat komen, ik moest fietsen.
Slingerend kroop ik vooruit tegen de kracht van de wind in. Takken vielen van de bomen, blokkeerde het wegdek en het water klotste over de dijk. Mijn laarsjes liepen vol met water en zelfs mijn ondergoed was al nat. Het was koud en guur, ik kon niet op tegen de gewelddadige storm. Tranen mengden zich met regen. Mijn blonde haren plakten aan mijn wangen,, mijn rugzak hing als lood op mijn rug. Ik viel om, stond weer op en ging door. Het begon harder te waaien en de druppels sneden als messen in mijn huid. Mijn ogen kneep ik dicht, de tranen bleven maar komen en er liep een straaltje bloed langs mijn knie. Ik moest naar school en wel snel ook, ik was te laat!
Met een harde klap werd ik van de weg afgesmeten. De boom sloeg me en hij hield niet op. Met tak en al vloog ik over de kop. Mijn fiets, waar is mijn fiets? Ik hapte naar adem maar kreeg in plaats daarvan een grote slok water binnen. De grond verdween onder mijn voeten, ik zonk, ik zonk en de golven sloegen over mijn hoofd. De handen van het water duwde me verder en verder en de vuistslag van de boom kwam weer. Ik zag niets meer. Ik was bang.
Een hand trok me uit het water, ik klom op de kant. Golven water kwamen uit mijn maag, ik hoestte en wreef in mijn ogen. Om mij heen was niemand. Het was mijn wereld, leeg, niemand. Mijn fiets was weg. Het water had mijn fiets gestolen. Ik zou nooit meer op school komen, de schaamte betrok me. Ik zou ook niet naar huis gaan. Dit was mijn wereld en dat zou het voor altijd blijven. Ik snikte, ik snikte van angst, ik snikte van pijn, ik snikte van verdriet, ik snikte van honger, ik snikte van het overdonderende geweld wat mij werd aangedaan. Mijn rugzak stond open. Het enige wat er nog in zat waren mijn boterhammetjes komijnekaas. Snikkend en rillend at de komijnekaas eraf. Het brood was nat, vies, ik zou het bewaren. Mijn rantsoen. Mijn wereld. Ik genoot niet meer.



De dijk zong er vaak over.
Wauw. Mooi!